Schriftelijke vragen m.b.t. de bouw van Windturbinepark Bönnesohl

Geacht college,

Per brief d.d. 11 september 2018 heeft u Russell Advocaten, de vertegenwoordiger van een aantal Limburgse belanghebbenden, op de hoogte gebracht van het ingenomen standpunt dat er plotseling geen provinciaal Limburgs belang is betrokken bij Windturbinepark Bönnesohl, vlak over de grens bij Nationaal Park de Meinweg. Dit plotselinge standpunt is diametraal tegengesteld aan het standpunt dat de Provincie Limburg vanaf 2014 tot 28 augustus 2018 heeft uitgedragen aan de Duitse overheden, toen wèl telkens een grensoverschrijdende MER en (hieraan gekoppeld) grensoverschrijdende inspraak voor Limburgse burgers werd geëist. Deze plotselinge wending zou gebaseerd zijn op een advies van Saxion Hogeschool, waarbij volgens Russell Advocaten dermate fundamentele vraagtekens kunnen en dienen te worden geplaatst dat het geen enkele basis kan vormen voor serieuze besluitvorming door de Provincie Limburg. In verband hiermee stelt de PVVfractie de volgende vragen.

1) 
a) Bent u bekend met de bouw- en milieuvergunning, door Kreis Viersen per 10 juli 2018 verstrekt aan SL Energie GmbH, voor de bouw van het Windturbinepark Bönnesohl?

b) Zo ja, heeft u een Duitse en/of een Nederlandse versie van de bouw- en milieuvergunning ontvangen en bestudeerd?

c) Bent u ermee bekend dat deze vergunning voorziet in de bouw van 4 megawindturbines met elk een tiphoogte van 207 meter en een rotordiameter van 116 meter op een afstand van minder dan 1 km vanaf Nationaal Park de Meinweg waar beschermde vogel- en vleermuissoorten broeden/nestelen, foerageren en/of rusten en dat er binnen diezelfde afstand van 1 km meerdere Limburgse/Nederlandse families wonen?

2)Is Gedeputeerde Staten van mening dat de bescherming van de natuur, (beschermde) habitats en (beschermde) flora en fauna in de Limburgse natuurgebieden, een Limburgs provinciaal belang dient? Zo niet, waarom niet?

3)Bij bevestiging van vraag 2, geldt dat dan ook voor de bescherming van de natuur, (beschermde) habitats en (beschermde) flora en fauna in het Natura2000-gebied Nationaal Park De Meinweg alsmede voor de bescherming van de (toeristische) recreatieve waarde van dit park? Zo niet, waarom niet?

4)Bent u bekend met de e-mailcorrespondentie tussen de Provincie Limburg en Kreis Viersen, van 5 juli 2016, 8 juli 2016, 15 augustus 2016, 3 mei 2017, 8 mei 2017 en 24 augustus 2018 waarin door Kreis Viersen gevraagd wordt of de Provincie Limburg er op staat dat er een grensoverschrijdende MER moet komen met betrekking tot Windturbinepark Bönnesohl, hetgeen de Provincie Limburg steeds bevestigend beantwoordt?

5)
a) Welke redenen had de Provincie Limburg om bij Kreis Viersen op een grensoverschrijdende MER aan te dringen voor deze vier windturbines?

b) Is daarbij van belang geacht dat de Provincie Limburg aan de hand van (de uitkomsten van) dat onderzoek zou kunnen beoordelen of er Limburgse belangen worden geschaad door de bouw- en exploitatieplannen inzake Windturbinepark Bönnesohl?

c) Bent u ermee bekend dat het inspraakrecht van Limburgse burgers in Duitse vergunningprocedures samenhangt met het vereiste van een grensoverschrijdende MER?

d) Zo ja, heeft dit voor de Provincie Limburg meegewogen bij de beslissing om (jarenlang) van Kreis Viersen een grensoverschrijdende MER te eisen?

6)
Per e-mail van 24 augustus 2018 (tevens op 28 augustus 2018 in het Duits verzonden), heeft de Provincie Limburg zich kritisch uitgelaten over de bouw- en milieuvergunning voor Windturbinepark Bönnesohl en nogmaals aangedrongen op het opstellen van een grensoverschrijdende MER, waarbij de Limburgse belangen zoals genoemd in de mail van de heer Van Tol aan Kreis Viersen van 5 juli 2016, moeten worden meegewogen.

Hoe kan het dat Gedeputeerde Staten vanaf begin september 2018 plotseling tot de conclusie zijn gekomen dat er géén Limburgse belangen worden geschaad door (de besluitvorming betreffende) Windturbinepark Bönnesohl, zoals blijkt uit de brief van mevrouw Schlicher aan de Amsterdamse advocaat Paul W.L. Russell van 14 september 2018, terwijl uitdrukkelijk nog géén onderzoek naar de Limburgse belangen, zoals door de heer Van Tol in zijn e-mail van 5 juli 2016 aan Kreis Viersen opgesomd, is gedaan?

7)
Kunt u onderschrijven dat uit de hiervoor aangehaalde correspondentie tussen Kreis Viersen en de Provincie Limburg volgt, dat er een schriftelijke overeenkomst is gesloten tussen de
Provincie Limburg en Kreis Viersen, met de inhoud dat er een Umweltverträglichkeitsprüfung zou worden opgesteld, waarin de volgende ‘themabereiche’/’Schutzgüter’ van de Provincie Limburg zouden worden meegenomen?

> Grundwasser (im weitesten Sinne)
> Natur (im weitesten Sinne)
> Archäologie
> Milieu (Lärm, Schlagschatten, Umweltverschmutzung Belästigungen in allgemeiner Weise, beeinflussen Horizont)
> Räumliche Konzequenzen (Integration ins Landschaft)“

8)
a) Wat is er op tegen – ook ter bescherming van de democratische belangen van de burgers in Limburg - om het eerdere standpunt van Gedeputeerde Staten dat een grensoverschrijdende MER vereist is, ook nu te handhaven, nu Kreis Viersen zich niet aan die afspraken houdt (los van de vraag of Kreis Viersen terecht tot de conclusie is gekomen dat een MER niet nodig is)?

b) In hoeverre is bij die ommekeer van belang dat het Meinweggebied als kansrijke locatie (322) wordt genoemd voor het plaatsen van windturbines (in de locatiestudie ‘Zoekgebieden Windenergie Limburg’), dat aan Nederlandse kant geanticipeerd kan worden op bestaande Duitse plannen en dat men daarbij niet zit te wachten op inspraak van Duitse burgers?

9)
Welke vraag/opdracht heeft Gedeputeerde Staten aan Saxion gesteld voorafgaand aan de rapportage van 30 augustus 2018 (dit graag onderbouwd met een kopie van de oorspronkelijke volledige correspondentie)?

10)
Het rapport van Saxion is van de datum 30 augustus 2018. Per e-mail van 28 augustus 2018 (9:25 uur) met onderwerp “RE: Brief advocatenkantoor omtrent windturbines net over de grens bij Limburg (Roerdalen) in Niederkruchten”, wordt de conclusie uit dit rapport - dat betreffende de bouw- en milieuvergunning Bönnesohl sprake was van een vereenvoudigde procedure en dat er daarom geen MER-plicht bestaat - echter al door de Provincie Limburg gedeeld met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

In welke mate zijn Gedeputeerde Staten/is de Provincie Limburg betrokken geweest bij de totstandkoming van (de conclusie van) het rapport?

11)
Het rapport van Saxion vermeldt in paragraaf 4.2: “Uit deze toets blijkt volgens Kreis Viersen dat een UVP niet noodzakelijk is. Kreis Viersen heeft zich hierbij, behalve op eigen bevindingen ten aanzien van Umweltauswirkungen, ook gebaseerd op de standpunten van de betrokken overheden (er zijn geen bezwaren gemaakt)” en in paragraaf 4.4: “De Genehmigung is (via toezending) bekendgemaakt aan de provincie Limburg maar het was voor haar door omstandigheden niet mogelijk om binnen de geboden termijn via een Klage te reageren.”

Welke omstandigheden waren er, dat de Provincie geen mogelijkheid heeft gehad om de belangen van de Limburgse burgers adequaat te vertegenwoordigen door het indienen van een Klage?

12)
Had Gedeputeerde Staten c.q. de Provincie Limburg andere redenen dan wel motieven om geen bezwaren te maken? Zo ja, welke?

13)
a) Kunnen Gedeputeerde Staten toelichten, hoe het – niet verder onderbouwde - oordeel dat de besluitvormingsprocedures in Duitsland juist zijn doorlopen, dat geen Limburgse belangen worden geschaad en dat geen grensoverschrijdende MER nodig is, gebaseerd kan worden op een niet juridisch onderbouwd rapport, waarin de conclusies van de Duitse lokale overheden één op één, zonder kritische beoordeling, worden overgenomen (paragraaf 4.2 en 4.3 Saxion rapport) zonder de besluitvorming eerst zelf te reconstrueren en te (doen) toetsen, met als doel te bekijken of dan tot dezelfde conclusie wordt gekomen?

b) Heeft Gedeputeerde Staten aan Saxion (of aan juridisch deskundige derden) verzocht om te onderzoeken of de genoemde juridische conclusies van Kreis Viersen wel juist zijn?

c) Zo nee, gaat dat dan alsnog (en op welke termijn) gebeuren?

14)
a) Hebben Gedeputeerde Staten bij de afweging om geen bezwaren te maken omtrent Duitse windturbineprojecten, hiermee de zoekgebieden en plaatsing van windturbines aan de Limburgse zijde van de grens mogelijk gemaakt en is dit een motief geweest, mede gelet op de uitspraak van gedeputeerde Theunissen in de Statencommissie RLN van 5 oktober 2018: ”…….maar vindt het wel logisch zoveel mogelijk aan te sluiten bij molens aan de Duitse kant zodat als het ware één park ontstaat.”)?

b) Doelt gedeputeerde hier specifiek op locaties rondom het Nationaal Park de Meinweg of geldt dit in het algemeen?

c) Impliceert deze uitspraak concreet dat Duitse windturbineparken worden gespiegeld aan de Limburgse zijde van de grens?



Namens de PVV-fractie,

Niek van der Loo